Het noordpoolgebied krijgt niet alleen te maken met een snelle afsmelting van de ijskap. Wetenschappers stellen vast dat ook de zuurtegraad er veel sneller stijgt dan in andere delen van de wereldzeeën.
Jeugdcolleges Gouden Eeuw in Fries Museum Wat voor kleren deed je aan als je er ‘cool’ uit wilde zien in de Gouden Eeuw. Welke gevaarlijke ziektes lagen er op de loer? En wat voor belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen hebben de Friezen eigenlijk gedaan? Deze en andere vragen worden beantwoord tijdens de jeugdcolleges in het Fries Museum Het Fries Museum in Leeuwarden presenteert in september als eerste museum in Friesland een collegereeks van de MuseumJeugdUniversiteit. De universiteit is bedoeld voor nieuwsgierige kinderen tussen de 8 en 12 jaar. Tijdens vier colleges vertellen experts over de Gouden Eeuw. Colleges dit najaar 7 May , 2013 : 08:45:19
Spannend! Een stemming; wie wordt de Europeaan van het jaar? Onze voorspelling; Guy Verhofstadt en Daniel Cohn-Bendit. Loopt het anders, en bent u de eerste reaguurder die de uitslag juist voorspeld bleek te hebben? Dan mag u een flesje lekkers ophalen bij de redactie.
Het European Executive Council (EEC) is een club van Europese topmanagers, die elk kwartaal afspreken om ‘best practices’ in Europees zakendoen uit te wisselen, en natuurlijk om te netwerken. Eens per jaar wordt de ‘European Leader of the Year Award’ uitgereikt, de zes genomineerden vindt u hier.
De laatste, duonominatie is die van die Guy Verhofstadt en Daniel Cohn-Bendit, twee Europarlementariers uit respectievelijk Belgie en Frankrijk. Waarom maken deze twee de grootste kans? Het Europese toverwoord van de afgelopen twaalf maanden is ‘federalisme’. De liberaal Verhofstadt en de radicaal Cohn-Bendit werden vorig jaar ‘woedend’ om het gebrek daaraan in Europa, en startten een campagne om de Europese eenwording te versnellen. Hoe dat helpt om economische verschillen in Europa op te lossen werd niet vermeld, dat het nodig is wel.
De jury bestaat uit ‘opiniemakers’ uit de media, de wetenschap en de samenleving in het algemeen. Zeker weten? De voorzitter van de jury is Bruno Boissière, voormalig Secretaris-Generaal van de Unie van Europees Federalisten (UEF). Hier vindt u een interview uit 2002, waarin hij het federale gedachtengoed al uitdroeg, lang voor de crisis die meer eenheid juist nodig zou maken.
De UEF is een onafhankelijke, Brusselse denktank zonder winstoogmerk die het Europees Federalisme wil bevorderen. Dit gaat u vaker horen. We vinden een reeks van dit soort banenmachines in Brussel, waarin een beperkte groep mensen de topposities onderling verdeelt. Een latere President van de club van Boissière is Jo Leinen, inmiddels weer voorzitter van de ‘Europese Beweging-Internationale’ (EBI) en Andrew Duff en Pat Cox, twee andere Europarlementariers. De EBI is een onafhankelijke denktank die …, inderdaad.
Voordat Cox President van de EBI werd, was hij voorzitter van Ireland for Europe (IFE). In 2008 verwierpen de Ieren een voorgestelde grondwetswijziging, die verdere Europese integratie mogelijk moest maken. De IFE startte daarop een campagne, en zorgde ervoor dat er op een gunstiger moment een nieuw referendum werd gehouden. Toen de kredietcrisis uitbrak werd duidelijk dat Ierland Europese noodhulp nodig zou hebben, dus het volgende referendum viel in het voordeel van Europa uit. Kennelijk zijn referenda in Europees verband niet bindend; ze worden net zo lang herhaald, totdat er een gunstige uitslag uitkomt.
Duff en Cox zitten op dit moment in de Spinelli Groep (SG), ook een denktank uit Brussel die… Goed, u begrijpt het. In de SG treffen we dezelfde kopstukken aan; Cox, Duff, Leinen, maar ook onze favorieten Verhofstadt en Cohn-Bendit. De groene Monica Frassoni uit Italie is ook lid van deze club.
Frassoni en Cox, zitten ook weer bij de club ‘Friends of Europe’ (FOE), nog een denktank die, onafhankelijk, enzovoort. Een van de partners daarvan is het Internationale Energie Agentschap (IEA), waarvan huidig EEC-juryvoorzitter Boissière vroeger weer de voorzitter was. Deze club wordt op dit moment overigens voorgezeten door Maria van der Hoeven, oud-Minister namens het CDA. De ‘board of trustees’ van FOE bestaat dus uit Frassoni evenals Cox en, daar is hij weer, Verhofstadt. De ‘President’ van FOE is een Belgische Burggraaf, Etienne Davignon, en hij is weer voorganger van Van der Hoeven als ‘President’ van IEA. Het is een kleine wereld.
Een ander, bijzonder kopstuk van FOE is Spiros Latsis, over wie we gisteren berichtten. Een van de negen partijen, die profiteerden van de opmerkelijke bail-out van zijn failliete Russische spaarbank, is geen natuurlijk persoon maar de stichting ‘Latsis Foundation’. Deze heeft een belang in Eurobank, en profiteerde zodanig voor ⁈29 miljoen van de graai in het Nederlandse overheidsbudget. De Latsis Foundation financiert de Europese Latsis-Prijs, die jaarlijks door de European Science Foundation (ESF) wordt uitgereikt.
De ESF voert het Europese wetenschappelijk beleid uit, dat erop is gericht om wetenschappenlijk onderzoek in Europa te verenigen, de zogeheten ‘European Research Area’. Dit principe komt voort uit het verdrag van Lissabon, waar de Fransen, Nederlanders en Ieren in of na 2005 juist tegen stemden. Een kerntaak, de jaarlijkse prijs, wordt gefinancierd door Latsis. Opmerkelijk, dat iemand die in Europa geen belasting betaalt, toch zoveel indirecte invloed mag hebben.
Het is nog opmerkelijker dat Cohn-Bendit en Verhofstadt zijn geselecteerd. Ten eerste zijn het geen leiders, maar volksvertegenwoordigers. Verhofstadt laat echter geregeld ondemocratische geluiden horen. Politici horen, volgens hem, niet naar burgers te luisteren, maar moeten een visie uitdragen, en het volk achter zich scharen. Gehoorzaamt of bestaat het volk niet, dan moeten politici het volk creeren.
Cohn-Bendit doet nog meer moeite om zichzelf belachelijk te maken. Het grootste probleem is echter het gemeenschappelijk belang van alle genomineerden, en andere betrokken bij het EEC, namelijk gemeenschappelijke Europese obligaties. Daar komen we op terug.
Twee senatrices van CD&V (De Vlaamse christendemocratische partij), Sabine de Bethune en Cindy Franssen, hebben recent in België een wetsvoorstel ingediend om transvetten in de voeding te verbieden. Op zich een lovenswaardig initiatief, want het verband tussen transvetten en hart- en vaatziekten is wetenschappelijk bewezen. In landen als Zwitserland, Denemarken, IJsland en Oostenrijk zijn transvetten in de voeding al [...] Tue, 07 May 2013 12:38:13 +0000
Wij Nederlanders krijgen steeds meer angst voor wetenschap en techniek. Dit is in veel opzichten nadelig voor ons land. ‘Harde’ wetenschap is daarom aan een herwaardering toe en ik geloof dat u dat kunt bewerkstelligen. In deze brief leest u mijn pleidooi voor uw rol in een meer bèta-minded Nederland.
Deze cocktail heeft ons veel gebracht: onvoorstelbare opbrengsten in de landbouw en de mooiste groenten en fruit, het hele jaar door. Medicijnen tegen voorheen ongeneeslijke ziektes en in ieder huis een ijskast. Robots die volautomatisch gevaarlijke klussen doen of onze gebruiksartikelen produceren. Mobiele telefoons die revoluties mogelijk maken en zelfs dictators op de knieën dwingen. En een Internet dat mij met een paar muisklikken in staat stelt een microkrediet te verstrekken aan een Indiase onderneemster, bijvoorbeeld via www.kiva.org.
De eerste fase van deze technologische revolutie ging helaas gepaard met grote schade aan het milieu. Ik hoef u vast geen voorbeelden te geven. Maar sinds we ons hiervan - mede door de milieubeweging - ten volle bewust zijn, gaat het dankzij slimme ingenieurs steeds beter met onze omgeving. Zo wordt het gat in de ozonlaag kleiner, zwemt er weer zalm in de Rijn en is zure regen geen thema meer. Natuurlijk zijn er punten van grote zorg, zoals de toenemende CO2-concentratie, ontbossing en de afnemende biodiversiteit. Maar als we de ontwikkelingen van de afgelopen decennia doortrekken, kunnen we met recht optimistisch zijn over de toekomst.
Toch heerst bij veel Nederlanders dit technologisch optimisme niet. Integendeel, techniek leidt bij velen tot angst en bezorgdheid, en het vertrouwen in ingenieurs en wetenschappers neemt af. In plaats hiervan hecht men - als het over belangrijke thema’s gaat zoals gezondheid, energie en economie - steeds meer waarde aan ‘valse’ autoriteiten: onheilsprofeten, populisten, alarmisten en antiglobalisten. Zij die het hardst roepen en de meeste media-aandacht krijgen worden geloofd, met de vaak zeer complexe waarheid als slachtoffer.
Vooral dit laatste baart mij zorgen. Om de jaarlijkse stijging van ons elektriciteitsverbruik bij te kunnen benen zonder al te grote CO2-uitstoot zijn álle alternatieve bronnen nodig: Zon, wind en water, maar zeker ook kernenergie. Deze bijzonder krachtige technologie roept echter heftige emoties op. Door de ramp in Fukushima dreigt kernenergie zelfs op een zijspoor te geraken. Maar het zou onverstandig zijn om deze technologie met het badwater weg te gooien, ondanks de evidente nadelen. Want kernenergie kan een belangrijke CO2-vrije pijler vormen van onze toekomstige energievoorziening. Met de modernste centrales kunnen we immers veel efficiënter en veiliger energie uit atomen vrijmaken. Bovendien zit er nog een geweldig potentieel in het verder ontwikkelen van kerntechnologie.
In China en India werkt men intussen gewoon door aan de volgende generatie hyper-efficiënte kerncentrales. Ook komen met dna-techniek veredelde gewassen steeds vaker uit het verre Oosten. In contrast hiermee roemen wij onze handelsgeest en zetten we onszelf als ‘Nederland distributieland’ op de kaart.
Prinses Máxima, wij raken door onze onderwaardering en angst voor techniek achterop of we nemen verkeerde beslissingen. Het is daarom in het belang van ons allemaal dat we in Nederland meer bèta-minded worden. Niet alleen om wat we lezen op Internet of wat ‘experts’ ons vertellen op tv beter op waarde te kunnen schatten, en zo de juiste beslissingen te nemen. Of een afgewogen stem uit te brengen. Maar ook - en dit is zeker zo belangrijk- zullen wetenschap en technologie de oplossingen moeten aandragen voor de problemen waar de wereld nog voor staat: denk aan klimaatverandering en het vinden van vervangers voor fossiele brandstoffen. Hiervoor zijn knappe koppen nodig. Maar die kunnen alleen gedijen in een maatschappij die wetenschap en techniek omarmt.
Helpt u mee? Uw man, onze toekomstige Koning, heeft met ‘waterbeheer’ al een bèta-thema omarmd. Hoe mooi zou het zijn als u dit als vrouwelijk rolmodel ook doet! Zo kunt u zich bijvoorbeeld als beschermvrouw verbinden aan een technische universiteit. Of jonge meiden (en jongens) stimuleren om te kiezen voor een technische studie. Wat dacht u ervan om ‘bèta-koningin’ van Nederland te worden? Mogelijkheden te over, ik help u graag die uit te werken als u dat wenst.
Met hoge achting,
Sjef Peeraer
Sjef Peeraer (1971) is eigenaar van energie-innovatiebureau SP Innovation en oprichter van energieleverancier Atoomstroom
Deze brief verscheen in het boekje "De Máxima Generatie", 40 Brieven voor prinses Máxima
Met Máxima staat de komende jaren een hele groep veertigers aan het roer van Nederland, die we de Máxima Generatie kunnen noemen. Wat beweegt deze mensen? En wat vinden zij dat Máxima te doen staat? In dit boek schrijven veertig generatiegenoten een persoonlijke brief aan onze toekomstige koningin, met adviezen voor de toekomst. Ondernemers, politici, schrijvers, journalisten of gewoon bekende Nederlanders vertellen haar waar het op staat. Sommigen willen het koningshuis afschaffen, anderen een glas wijn met haar drinken. De een vraagt om excuses voor het verleden van haar vader, de ander wil haar juist onbekommerd bewonderen.
De Máxima Generatie bestaat uit vrouwen en mannen, als Ruud de Wild, Lodewijk Assher, Diederik Samsom en Sanne Wallis de Vries, die nu tussen de 35 en 45 zijn en in dezelfde levensfase zitten. Een generatie die in een welvarend Nederland leeft maar wel vanuit een stevige economische recessie nog een toekomst moet opbouwen.
Wind waait weg! Zeer verrassende berichten de laatste tijd op de wetenschapspagina van NRC Handelsblad (19-10-2010) en nrc next (21-10-2010). Vorige keer ging het om de temperatuurdaling die windmolens veroorzaken, dit keer gaat het om de vaststelling dat het op het noordelijke halfrond steeds minder hard waait.
Verontrustend nieuws! Wind is een van onze duurzaamheidskampioenen: onuitputtelijk, gratis en geen uitstoot van voor het klimaat schadelijke gassen. Maar bij wind blijkt er toch wat bijzonders aan de hand te zijn. Van die temperatuurdaling kunnen we nog zeggen dat die niet door de wind, maar door windmolens wordt veroorzaakt. Maar dit keer gaat het dus echt om de wind zelf. En daar blijkt nu steeds minder van te zijn: de wind raakt ‘op’.
De gemiddelde windsnelheid is hier de afgelopen 30 jaar met 5 tot 15 procent afgenomen en in Azië zelfs met 20 procent. Wetenschappers hebben – zoals het hoort – naar allerlei mogelijk oorzaken gezocht. De klimaatverandering heeft een flinke impact, maar de belangrijkste oorzaak is ‘verruwing’ van het aardoppervlak door aangroeiend bos! Juist bomen leggen tijdens hun groei CO2 vast: gemiddeld 0,7 ton per m3 hout. Hoe harder het bos groeit, en hoe langer de groei aanhoudt, des te meer CO2 er wordt vastgelegd. En des te minder wind er waait, kunnen we daar nu aan toevoegen.
Over het afremmen van de windsnelheid door windmolens rept het artikel niet. Maar als gewone bomen al zo’n invloed hebben, kijken we toch niet vreemd op als zal blijken dat ook grote windmolenparken de wind flink afremmen? Dan zou ook windenergie zijn eigen bron ‘verstoken’! Hoe dan ook: wind is dus niet onuitputtelijk, zoals iedereen dacht.
Wat betekent dit nu allemaal? Om te beginnen meldt een KNMI-onderzoeker dat dit voor de windmolenindustrie erg belangrijk is. Want het kan het verschil maken tussen winstgevendheid of verlies. Maar er is meer. Zoals gezegd blijkt de klimaatverandering bij te dragen aan het wegvallen van de wind. Daarmee doet zich het curieuze feit voor dat als er grootschalig op kernenergie wordt ingezet, het klimaat niet verder verandert en er meer wind blijft waaien. Genoeg om windenergie winstgevend te maken. Kernenergie als redder van windenergie, wie had dat ooit kunnen denken? Thu, 21 Oct 2010 11:38:00 +0000
Windmolens beïnvloeden het weer Ja, u leest het goed. Precies dezelfde kop stond op 5 oktober 2010 in NRC Handelsblad op de wetenschapspagina. Ik weet het, de wetenschap heeft momenteel even de tijdgeest tegen, zeker als het gaat om het klimaat. Niettemin: het artikel zegt dat niet alleen uit modelstudies naar voren komt dat windmolens het weer kunnen beïnvloeden, maar dat dit ook echt is waargenomen. Benedenwinds werden in op grondniveau aanmerkelijk lagere maximum temperaturen gemeten dan bovenwinds. Bovenwinds werd het wel 38°C, achter de turbine bleef het 36°C.
Toegegeven, die windmolenparken beslaan geen groot oppervlak. Althans, tot nu toe. Maar wat als straks de hele Noordzee vol staat met molens? Gaat er een koude westenwind waaien? Zou die wind de opwarming van de aarde kunnen vertragen? En zo ja, in welke mate? Welke consequenties zou dat hebben? Wordt het frisser in Scheveningen? Vragen, vragen, vragen.
Nu heeft het geen pas om hier (al te zeer) af te geven op duurzame energiebronnen. Maar er gebeurt nu iets bijzonders: wind blijkt onvermoede ‘kwaliteiten’ te hebben en nader beschouwd niet klimaatneutraal te zijn. Voor kernenergie en zonne-energie zijn dit soort verrassingen in elk geval uitgebleven. Vooralsnog, want wie weet wat de wetenschap ons op dit terrein nog gaat brengen. Thu, 21 Oct 2010 11:32:00 +0000
Gefeliciteerd dat jij ook 400ppm hebt overleefd! Snel naar http://www.cafepress.com/wattsupwiththat voor deze originele T-shirts. Er was echter ook een ICT-er onder de reageerders die de vergelijking met Y2K veel te veel eer vond voor 400ppm. Destijds hebben slimme koppen wel degelijk wereldwijd databases aangepast om een "ramp" te voorkomen. En nu bij dit simpele luttele getal is er gewoon helemaal niks nada. Ik [...]Aanverwante berichten:
Facts about the global banking machine (Michael Tellinger) Ubuntu party | Moving from a money-driven society to a society driven by people, their talents and their passion for life... 12 May , 2013 : 21:06:09
Goodbye Indonesia (Top Documentary Films) In the face of state repression and international indifference West Papuan activists have been locked in a life or death 12 May , 2013 : 15:06:56
De prijs van suiker (Forbidden Knowledge TV) Op een paar mijl afstand van de ongerepte Caribische stranden van de Dominicaanse Republiek oogsten duizenden Haïtianen onder gewapende bewakers op plantages het suikerriet, waarvan een groot deel belandt in westerse huishoudens... 12 May , 2013 : 12:41:25
Waar vind je het geluk? (Helioscentrum | Dick Nijssen) Je hebt heerlijk gevreeen met de man/vrouw van je dromen of je hebt die te gekke motorfiets gekocht... 12 May , 2013 : 10:23:15
International Dance Day Flashmob @ David Pecaut Square (Agus Judistira) Niet alleen het dansen, ook de filmmontage is erg goed...(Youtube) Uploaded on May 1, 2011 Canadas National Ballet Schools community members celebrate International Dance Day, April 29, 2011 at Torontos David Pecaut Square... 11 May , 2013 : 21:28:03
Darfur Diaries: Message from Home (Top Documentary Films) Darfur Diaries: Message From Home is a brutally honest inside look into the tragedy befalling the 11 May , 2013 : 14:46:42
Nikola Tesla Unlimited Free Energy Forever |Things THEY Dont Want You to Know About (Forbidden Knowledge TV) Hosted by Bill Jenkins, formerly of ABC Radio, this comprehensive documentary features physicists and inventors who are challenging orthodox science to bring this non-polluting technology forward despite ridicule and suppression... 11 May , 2013 : 00:25:00
The Peacewalker (Top Documentary Films) Ashin Sopaka is a 10 May , 2013 : 14:18:53
Ongeveer de helft van 's werelds populatie, drie miljard mensen, maken gebruik van biomassa zoals hout, houtskool, mest, steenkool of andere resten van landbouwactiviteiten als brandstof in simpele traditionele kachels of open vuren om te koken. Maar wanneer men op deze manier kookt, ademt men veel rookgassen in. Dit zorgt voor erg schadelijke gevolgen voor hun gezondheid. Het koken op dergelijke traditionele kachels of op open vuren kan verschillende acute en chronische ziektes veroorzaken, zoals longontsteking, emfyseem, cataract, longkanker, bronchitis, hart-en vaatziekten, dysmaturiteit.
Dit probleem is, op technologisch vlak, erg simpel op te lossen. De maatregel die hiertegen moet ondernomen worden is namelijk het introduceren van nieuwe kachels. Bij deze kachels moet het ontwerp zo aangepast zijn zodat er minder schadelijke rookgassen vrijkomen en dus de gezondheid van de gebruiker beschermd wordt. Al veel verschillende ontwerpers, wetenschappers en dergelijke hebben al zo'n kachels ontworpen. Bij vele van deze ontwerpen, is er speciaal aandacht besteed aan de materialen die gebruikt worden. Deze mogen uiteraard niet duur zijn en moet beschikbaar zijn voor de mensen in deze ontwikkelingslanden. Veelal kunnen deze nieuwe kachels gebouwd worden van materialen die anders als afval geschouwd worden.
Maar toch is het zeer moeilijk om deze kachels te introduceren. Dit komt namelijk door de schaal van dit probleem. Het gaat hier namelijk over enorm veel mensen, namelijk de helft van de wereldbevolking (3 miljard). En deze mensen in ontwikkelingslanden leven niet allemaal samen een dezelfde buurt. Juist integendeel ze leven heel erg verspreid van elkaar en daarnaast veelal nog eens in moeilijk bereikbare regio's. Daarnaast hebben deze mensen veelal slecht een beperkte of helemaal geen toegang tot informatiekanalen zoals televisie of internet. Dus kan men deze mensen niet informeren via een van dergelijke kanalen. Indien zij wel toegang hadden tot internet of televisie, dan kunnen ze op deze manier ingelicht worden over dit probleem, de gevaren en hoe dit aan te pakken om tot een oplossing te komen. Maar aangezien ze geen toegang hebben tot internet of televisie, is het een hele opgave om deze nieuwe kachels echt tot bij de mensen in de ontwikkelingslanden te brengen. Vele hulporganisaties en dergelijke doen veel inspanningen om deze mensen te informeren van het probleem en om deze nieuwe kachels te introduceren. Veelal slagen ze hierin maar telkens bij een beperkte groep van deze mensen. Zo wordt er toch geleidelijk een vooruitgang gemaakt om dit probleem uit de wereld te helpen.
Maar stilaan lijkt het er volgens velen op dat we bijna een kantelpunt bereikt hebben, namelijk door de inspanningen van vele bedrijven, zoals onder andere Toyola maar ook vele andere, die zich bekommeren om de taak om deze nieuwe kachels tot de mensen te brengen. Het kantelpunt houdt in dat er versnelling komt naar een grootschalige invoering van deze nieuwe kachels. En een andere aspect bij het invoeren van deze nieuwe kachels, is dat deze niet alleen goed zijn voor de gezondheid van de gebruiker, maar ook voor de andere mensen rondom. Namelijk, in het algemeen, zorgen deze kachels ook dat de geproduceerde warmte beter 'samengehouden' wordt en dus niet zomaar verloren gaat aan de omgeving. De warmte wordt geleid naar de plaats waar het nuttig gebruikt om te koken. Daardoor is er minder brandstof nodig om een maaltijd te bereiden.
Bij het verbranden van deze brandstoffen wordt er steeds een bepaalde hoeveelheid CO2 en andere broeikasgassen geproduceerd. Al deze gassen komen uiteraard steeds vrij in de atmosfeer terecht. Daar dragen ze bij aan de toenemend concentratie aan broeikasgassen in onze atmosfeer, met alle gevolgen van doen. Dus, de motivatie om deze nieuwe kachels te introduceren komt ook deels omwille van de bezorgdheid om het klimaat. Voor de gebruikers is zo'n nieuwe kachels ook steeds welkom aangezien deze minder brandstof verbruikt en dus zullen ze een kleinere fractie van hun inkomen, of van hun tijd indien ze zelf deze brandstoffen vergaren, moeten spenderen aan deze brandstoffen.
Maar, zoals eerder al vermeldt, worden niet alleen deze vrouwen en kinderen beter van deze nieuwe kachels. Doordat er minder warmte verloren gaat, dient er minder brandstof verbrandt te worden, en dus worden er minder broeikasgassen geproduceerd. Dus iedereen heeft er ook een beetje baat bij. De broeikasgassen, geproduceerd in ontwikkelingslanden tijdens het verbranden van biomassa en dergelijke voor te koken, zouden naar schatting verantwoordelijk zijn voor zo'n 2,5% Ã 10% van toename van de concentratie aan broeikasgassen in onze atmosfeer.
De vestiging van Toyola ligt slechts een 15 kilometer buiten het centrum van Accra, de Ghanese hoofdstad. Daar wordt schroot en metaalafval ingezameld om er kachels van te maken. Daar in dat gebouw wordt dat schroot ombouwen tot mooi zwarte kachels. Ondertussen werken er al zo'n 200 arbeiders voor Toyola. In het begin, bij de oprichting van deze onderneming, geloofde er niemand in dat dit zo'n succes zou worden. De meesten dachten dat dit uiteindelijk een grote mislukking ging worden. En daarom wou ook geen enkele van de lokale banken investeren in deze onderneming. De oprichter slaagden er niet in om kapitaal loskrijgen om te investeren in Toyola.
Maar nu worden de kachels aan de lopende band verkocht aan de bevolking in de regio. Momenteel is de onderneming heel sterk aan het groeien doordat de kachels echt een succes zijn bij de lokale bevolking. De mensen kunnen zelfs dergelijke kachels kopen op krediet, dan komt er wel een aantal dollars bij in de kostprijs, als wijze van interest voor het verleende krediet. Voor de komende jaren wordt er enkel nog een groter succes verwacht.
Extra informatie:
Amy Smith, ingenieur aan MIT, is gepassioneerd om machines, systemen en producten te ontwerpen waarmee 's werelds grootste problemen aangepakt kunnen worden. Uiteraard situeren veel van deze problemen zich in de ontwikkelingslanden. Dit heeft ervoor gezorgd dat haar werk in het bijzonder is om deze mensen die daar leven te helpen en om hun leven beter en aangenamer te maken.
Deze post is een eerste deel in een reeks van twee artikelen over de Stirling motor en over de toekomst en nieuwe ontwikkelingen omtrent dit type motoren. De volgende post, die binnenkort zal gepost worden, is dan het tweede artikel van deze reeks en bouwt verder op dit artikel.
Indien de eerste ontwikkelaars van de auto hadden geopteerd voor een Stirling motor in plaats van een Otto of een Diesel motor, dan hadden we nu allemaal rondgereden in wagens die veel efficiënter werken en minder vervuilende gassen produceren. Maar een aantal zaken in de evolutie van de auto zorgden ervoor dat de Stirling geen interessant alternatief was voor de motor in auto's. In het algemeen heeft de Stirling motor een aantal voordelen, namelijk is de werking van deze motor een stuk efficiënter dan de Otto en de Diesel motor. Daarnaast kan de Stirling motor werken met een heel veel verschillende soorten brandstoffen.
De Stirling motor is in tegenstelling tot andere voertuigmotoren een externe verbrandingsmotor, de Otto en de Diesel motor zijn allebei interne verbrandingsmotoren. Het feit dat de verbranding hier nu extern gebeurt, kan men er beter voor gaan zorgen dat er minder schadelijke verbrandingsgassen gaan ontstaan tijdens de verbranding van de brandstof. Ondanks het feit van dat de verbranding extern gebeurt, dit voorkomt niet dat er een heleboel CO2 ontstaat. Maar doordat het rendement groter is, is de CO2-uitstoot van een Stirling motor per hoeveelheid nuttige energie een stuk kleiner dan bij een Otto of Diesel motor. In een Otto en een Diesel motor vinden er steeds ontploffingen plaats, maar in een Stirling motor is dit niet het geval, waardoor een Stirling motor ook heel wat minder lawaai maakt.
Een Stirling motor wordt ook wel eens een heteluchtmotor genoemd, dit omdat in deze motor er gebruik gemaakt wordt van de expansie van lucht of andere gassen door verhitting en de contractie ervan bij afkoeling. Het principe van deze motor werd bedacht door Robert Stirling, een Schotse dominee. Hij had van jongs af aan belangstelling voor techniek en wetenschap. Hij maakte zich zorgen om de arbeiders en de gevaren waaraan zij blootgesteld waren door het gebruik van stoommachines in de fabrieken. In de tijd dat Robert Stirling leefde, aan het begin van de 19de eeuw, was er nog geen plaatstaal beschikbaar van hoge kwaliteit, en daarom gebeurde het wel eens dat er een stoommachine ontplofte. En wanneer dit gebeurde, dan vielen er vaak gewonden onder de arbeiders die er aan het werk waren. Daarom besloot Robert Stirling om het ontwerp van een al bestaand type luchtmotor te optimaliseren in de hoop een veiliger alternatief te bekomen voor de stoommachines in de fabrieken van toen.
Binnen een jaar na zijn eerste ontwerp, had hij al verdere verbeteringen bedacht. Namelijk de 'heat economiser', dit is een regenerator die ervoor zorgt dat er minder warmte verloren gaat naar de omgeving en dus dat er uiteindelijk minder brandstof verbruikt wordt. In 1817 kreeg hij een patent op zijn ontwerp voor de luchtmotor en op een luchtmotor met een ingebouwde regenerator. Het duurde daarna nog tot 1818 tot dat hij zijn eerste praktisch bruikbare versie van zijn ontwerp heeft gebouwd, deze werd gebruikt om water uit een steengroeve naar boven te halen.
In de Stirling motor bestaat steeds uit een warme ruimte of cilinder en een koude ruimte of cilinder. Daarnaast is er een zuiger of een ander mechanisme, die ervoor zorgt dat lucht heen en weer beweegt tussen deze warme en koude ruimte. Als de lucht zich in de warme ruimte bevindt, dan zal deze opwarmen en expanderen. En doordat tijdens het expanderen er dus een grote volume ingenomen zal worden, wordt er daarbij arbeid verricht op een zuiger in deze warme ruimte. Eenmaal de expansie heeft plaatsgevonden, verplaatst deze lucht zich terug naar de koude ruimte. Daar wordt de lucht afgekoeld en gaat deze terug krimpen.
De geïdealiseerde Stirling cyclus bestaat uit vier thermodynamische processen die op het gas werken. Namelijk wordt in de eerste stap de lucht in de koude cilinder gecomprimeerd, dit proces gebeurt isotherm, wat wil zeggen dat de temperatuur constant blijft gedurende dit proces. De gegenereerde warmte tijdens deze compressie wordt onmiddellijk afgevoerd uit de koude cilinder. Aan het einde van deze stap is het volume van de lucht, die zich nu in de koude cilinder bevindt, een stuk kleiner. Daarnaast is de druk wel veel hoger en de temperatuur is dezelfde als voordien. In de tweede stap verplaatst de lucht zich van de koude naar de warme cilinder. Bij deze transfer verandert er op het eerste moment niet aan de toestand van de lucht. Maar eenmaal in de warme cilinder, begint de lucht op te warmen. De temperatuurstijging van de lucht verloopt isochoor. Dit wil zeggen dat het volume van de lucht onveranderd blijft. Tijdens het isochoor opwarmen van de lucht, stijgt de temperatuur en de druk van de lucht.
Nadat de lucht opgewarmd is, zorgt de hoge druk ervoor dat de zuiger in de warme cilinder naar achteren wordt geduwd. Nu expandeert de opgewarmde lucht en gaat het dus een groter volume innemen. Deze expansie gebeurt isotherm want aangezien de lucht zich in de warme cilinder bevindt blijft de temperatuur constant. Het is tijdens dit proces dat er arbeid geleverd wordt door de motor, die daarna nuttig gebruikt kan worden. Eenmaal de expansie heeft plaatsgevonden, beweegt de zuiger in de warme cilinder terug helemaal naar boven waardoor al de lucht terug naar de koude cilinder gaat. Tijdens de overgang van de lucht van de warme naar de koude cilinder, verandert er niets aan de fysische toestand van de lucht. In de koude cilinder koelt de lucht af. Dit gebeurt terug bij een constant volume. En als de lucht terug afgekoeld is, dan bevindt de lucht zich terug in de begintoestand en kan de volgende cyclus starten.
Later werd er ook nog een regenerator aan de Stirling motor toegevoegd. Dit is een interne warmtewisselaar voor tijdelijke warmte opslag tussen de warme en de koude cilinder. Op het einde van de cyclus verplaatst de warme lucht zich van de warme cilinder naar de koude cilinder en daar koelt die af. Maar nu wordt deze lucht door de regenerator geleidt, waar het zijn warmte kan afgeven en dus al afkoelt voordat het in de koude cilinder terecht komt. En bij de volgende cyclus, wordt de koude lucht die naar de warme cilinder verplaatst wordt, eerst door de regenerator geleidt. Daar neemt de lucht de eerder afgegeven warmte weer op en warmt het dus al op voordat het in de warme cilinder terecht komt. Op deze manier gaat er minder warmte verloren tijdens het afkoelen van de warme lucht in de koude cilinder. En omgekeerd in ook waar, zo is er dus minder warmte nodig in de warme cilinder om de lucht op te warmen. Dit is het algemeen principe voor een Stirling motor. Er bestaan namelijk wel verschillende uitvoeringen, maar deze zijn uiteraard allemaal gebaseerd op dit principe.
Ondanks dat hun werking veel efficiënter en flexibeler is, toch is de Stirling motor (nog) niet in algemeen gebruik. Hoewel grote bedrijven zoals NASA, Philips en General Motors er al miljoenen aan geld in gestopt hebben. Dit heeft gezorgd voor zeer innovatieve oplossingen voor steeds dezelfde zwakke punten van de Stirling motor. Deze zijn namelijk dat de Stirling motor niet echt geschikt om te werken met een variërend toerental en vermogen. Deze motor werkt uitstekend bij een vast toerental en vermogen, maar dit resulteert erin dat hij niet snel kan accelereren. En een tweede zaak, is dat bij grote vermogen de Diesel en Otto motor wel een hoog rendement kunnen behalen en kunnen ze het rendement van de Stirling motor evenaren.
Daarnaast lijkt het er sterk op dat het nu te laat is voor de Stirling Motor om nog een grote doorbraak te maken in de transportwereld. Momenteel worden vele nieuwe technologieën naast verbrandingsmotoren onderzocht en overwogen. Dus er kan misschien wel gezegd worden dat het veel te laat is voor de Stirling motor om succes te hebben, zelfs ondanks alle veelbelovende eigenschappen van de theorie achter deze motor.
The Weyburn-Midale Carbon Dioxide Project is sinds 2008 's werelds grootste project voor de opvang en opslag van CO2. Het project vindt plaats in Midale, Saskatchewan, Canda. Dit project komt voort vanuit internationale samenwerkingsverbanden om er wetenschappelijke studie uit te voeren omtrent de mogelijkheden van de afvang en opslag van CO2. Het is er de bedoeling om CO2 op te slaan onder de grond op plaatsen waar er voorheen olie zat. Via die onderzoeksproject wil men data gaan verzamelen om meer inzicht te verkrijgen in hoe men CO2 ondergronds kan gaan opslaan. En wat er allemaal moet gedaan worden om de opslag van het CO2 op lange termijn te verzekeren. In 1954 heeft men ontdekt dat er olie onder grond zat in Midale, Saskatchewan. Naar schatting zat er in totaal zo'n 1,4 miljard vaten olie onder de grond daar.
De conventionele ontginning van olie uit een olieveld verloopt steeds via een aantal verschillende stages. Eerst in het begin van de ontginning van olie uit een 'nieuw' olieveld, is de druk in de olie erg groot. Dit zorgt ervoor dat men enkel maar een gat moet boren tot in het olieveld. De druk van de olie zorgt er dan vanzelf voor dat de ruwe aardolie naar het oppervlak komt. Er zijn dus in het begin geen extra inspanningen nodig om de aardolie naar boven te halen. Maar na een tijdje, wanneer er al een bepaald gedeelte van het olieveld naar boven is gehaald, neemt de druk in de olie af. En op een gegeven ogenblik wordt deze druk te klein en komt de aardolie niet meer 'vanzelf' tot aan het oppervlak.
Om het olieveld verder te gaan ontginnen moeten er extra inspanningen geleverd worden. Hiervoor bestaan er al een heel reeks van technieken. Een van de strategieën is om ervoor te zorgen dat er opnieuw voldoende druk in het olieveld is, zodat zo de aardolie naar het oppervlak kan komen. In het olieveld van Midale moest men vanaf 1970 beginnen met het toepassen van dergelijke technieken omdat de druk in het reservoir te sterk was afgenomen. Zo hebben ze het reservoir laten 'overstromen'. Wat zoveel wil zeggen dat ze water onder hoge druk hebben geïnjecteerd in de boorputten. Het water zorgt ervoor dat de druk in het reservoir opnieuw toeneemt en omdat olie lichter is dan water, blijft de olie drijven op het water en komt het zo eerst terug naar boven.
In 2000 is men ook met nog een andere techniek begonnen om de druk in het reservoir opnieuw te gaan opdrijven. Namelijk zijn ze dan grote hoeveelheden CO2 gas gaan injecteren in het olieveld, ongeveer zo'n 5000 ton per dag. Het gas wordt aangevoerd via een 320 kilometer lange pijpleiding van een bruinkoolcentrale waar er ook onder andere synthetische brandstoffen geproduceerd worden. Het CO2 wordt er afvangen met een filterinstallatie en zo voorkomt men dat al dit CO2 anders vrij in de atmosfeer terecht komt. Door de injectie van het CO2 wordt er verwacht dat er in totaal zo'n 220 miljoen vaten olie extra zullen geproduceerd kunnen worden. Sinds de ontdekking van het olieveld in 1954, zijn er in totaal al zo'n 500 miljoen vaten olie geproduceerd. En dus is de extra productie die mogelijk gemaakt wordt door de injectie van CO2 toch wel opmerkelijk groot. Er wordt verwacht dat de CO2 injectie ervoor zal zorgen dat het olieveld zo'n 20 Ã 25 jaar langer 'actief' zal zijn en de totale olieproductie van he olieveld met ongeveer 34% gestegen is met de CO2 injectie.
Vele wetenschappers en ingenieurs stellen dat het afvangen en opslaan van, CO2 geproduceerd uit fossiele brandstoffen een van de wapens is voor het bestrijden de toenemende concentratie aan broeikasgassen en de daaruit volgende van de klimaatverandering. Maar de technologie van CCS (Carbon Capture and Sequestration), voert momenteel nog een harde strijd tegen de publieke perceptie. Ook is het chemisch proces voor het afvangen van CO2 enorm duur. En om dan nog niet spreken van het prijskaart van het netwerk van pijpleidingen die aangelegd moet worden om het gas op de gewenste locatie te krijgen. Maar wanneer men nu 'voldoende' geld zou besteden, kan dit ervoor gaan zorgen dat grotere kosten vermeden kunnen worden. Namelijk de kost van de verdere klimaatverandering. Momenteel is er wel nog onduidelijkheid over de veiligheid omtrent de ondergrondse opslag van CO2. Vooraleer men dit op grote schaal wil gaan invoeren moet er eerst zekerheid zijn over of, en voor hoe lang, de CO2 daar onder de grond zal blijven.
In een rapport dat recent werd uitgebracht door een onafhankelijk geochemisch consultingbedrijf werd geconcludeerd dat er CO2 lekt uit de oliereservoir van de olievelden in Midale. In het rapport wordt er alarm geslagen over een aantal verontrustende verschijnselen rondom de olievelden. Het rapport komt uit van een onderzoek van een reeks bodemmonsters, die ze geanalyseerd hebben. De analyse van deze bodemmonsters toonde aan dat er erg hoge concentraties aan CO2 voor komen in de grond. En uiteraard het eerste vermoedens is dat deze hoge concentraties veroorzaakt wordt door het gebruik van CO2 in de olieputten.
Maar op 19 januari, heeft een groep wetenschappers een rapport als reactie op het vorige rapport uitgegeven waarin in waarschuwen dat er geen of te weinig aanwijzingen zijn om te zeggen dat er een link is tussen de hoge concentratie aan CO2 in de bodem en de opslag van CO2 in de olievelden. Nu is er een soort van een heen en weer gesprek tussen beide partijen, langs de ene kant het consultingbureau die de analyse van in het eerste rapport uitvoerde en langs de andere kant is er de groep wetenschappers die de besluiten van in het eerste rapport niet geloofwaardig en onvolledig beschouwen. Het uiteindelijk resultaat, namelijk of dat er wel of niet CO2 lekt uit de olievelden, is van groot belang voor de toekomst van deze technologie. Aangezien dat het project in Midale een soort van proefproject is voor deze technologie en men er data wil verzamelen over de betrouwbaarheid en de mogelijkheden van de opslag van CO2 in olievelden.
De onderzoekers van het consultingbureau duiden erop dat de 'chemische handtekening' van de CO2 die ze teruggevonden hebben in de bodemmonsters erg gelijkaardig is aan die van de opslagen CO2 onder de grond. Een andere data die ze een belangrijke indicatie vinden voor hun conclusies is dat de over het volledige terrein een abnormaal hoge concentratie aan CO2 in de bodem hebben opgemeten. De onderzoekers stellen dat ze kunnen besluiten uit deze twee data/cijfers, dat de hoge concentratie aan CO2 in de bodem voortkomt van de opslag van CO2 in de olievelden.
Steve Whittaker, Ph.D. in Geologie, verteld dat de onderzoekers van het consultantbureau de resultaten van het analyse 'overinterpreteren'. Hij verteld dat ondanks dat de 'chemische handtekening' van de CO2 in de bodem overeenkomt met dat van het CO2 dat er opgeslagen wordt, men nog niet met zekerheid kan zeggen dat het dan afkomstig is van de opgeslagen CO2. Hij verteld dat, bij vorig onderzoek dat hij heeft uitgevoerd, er CO2 gevonden is dat een gelijkaardige 'chemische handtekening' had als dat van het CO2 in de bodemmonsters van het consultantbureau, maar dat het CO2 dan afkomstig was van natuurlijke processen. Dus, ondanks dat de 'chemische handtekening' erg gelijkaardig is, toch kan men niet met zekerheid zeggen dat het hier gaat om CO2 die van dezelfde bron afkomstig is.
Daarnaast duidt Whittaker er ook op dat de onderzoekers geen goede basiswaarde ter beschikking hebben waarmee ze de resultaten van hun analyse kunnen vergelijken. Namelijk vergelijken ze de resultaten van hun analyse met waardes over het CO2 gehalte in de aarde uit het oliereservoir, dat zo'n 1,5 kilometer onder de grond ligt. Deze waardes gebruiken ze als basiswaarde van toen men nog geen CO2 injecteerde in het olieveld. En dus vergelijkt men er aarde dat van diep onder de grond komt met aarde dat aan het oppervlak ligt. Maar uiteraard is het niet echt correct om deze twee waardes te vergelijken en dan uitspraken te doen over veranderingen van de CO2 concentratie in de aarde aan het oppervlak.
Hij is het wel eens dat de CO2 concentratie er abnormaal hoog zijn, maar het is niet de eerste keer dat dergelijke concentraties opgemeten zijn. De CO2 concentratie in de bodem is afhankelijk van een heleboel zaken en vooral van andere kenmerken van de bodem. Maar omdat men geen goede basiswaarde heeft om de meetresultaten te vergelijken, kunnen er nog geen wetenschappelijke uitspraken gedaan worden over de oorzaak van deze hoge concentraties. Men heeft nu enkel abnormale waardes opgemeten maar men heeft nog niets van informatie over de trend van de CO2 concentratie. En om zeker te zijn of dat de abnormaal hoge concentratie echt afkomstig is door de injectie van CO2 in het oliereservoir, moet er informatie ter beschikking zijn over de trend van deze waarde van de CO2 concentratie over de afgelopen decennia, en best nog van voor er CO2 geïnjecteerd werd. Indien het CO2 afkomstig is van de injectie in de oliereservoirs, dan is momenteel een groot mysterie hoe dat het gas van 1,5 kilometer diep naar boven is gekomen.
Er moet dus nog veel meer data verzameld worden en extra onderzoek uitgevoerd worden om betrouwbare uitspraken te kunnen doen over de hoge CO2 concentratie in de bodem rondom de olievelden in Midale.
De grote hoeveelheid broeikasgassen die er jaarlijks uitgestoten worden door de mens dreigen een steeds groter probleem te worden. Momenteel wordt er jaarlijks ongeveer zo'n 22 gigaton (22 . 10^9 ton) CO2 uitgestoten door de mens. Omdat men nog niet exact kan voorspellen wat de gevolgen zullen zijn van deze extra hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer heeft het een tijdje geduurd vooraleer men er echt aandacht is aan beginnen geven. Maar er kan wel gezegd worden dat de laatste jaren er steeds meer en meer belang aan gehecht wordt.
Het opvangen van het CO2 kan in principe gedaan worden bij allerhande processen, voornamelijk dan bij energieprocessen waarbij er fossiele brandstoffen verbrand worden. Maar dit is ook mogelijk bij andere industriële processen zoals bijvoorbeeld bij cementproductie, kunstmestproductie, of staalproductie. Bij deze processen wordt er namelijk ook een heleboel CO2 geproduceerd en momenteel komt die allemaal vrij in de atmosfeer terecht. CCS helpt rechtstreeks in tegen klimaatverandering, namelijk het beperkt de hoeveelheid CO2 er in de atmosfeer terecht komt. En in plaats van in de atmosfeer wordt het gas opgeslagen. Algemeen wordt CCS gezien als een soort van tussenoplossing voor tijdens de transitie naar een volledig duurzame energiemix. CCS zou kunnen helpen om de mens meer tijd te geven om deze transitie te doorlopen. Fundamenteel zijn er twee soorten uitwerkingen mogelijk van het principe van CCS. Namelijk kan het CO2 op twee plaatsen afgevangen worden in de proces van energieproductie uit fossiele brandstoffen. Deze twee plaatsen zijn ofwel voor de verbranding of na de verbranding van de fossiele brandstof.
Wanneer men het CO2 wil afvangen voor de verbranding dan moet de fossiele brandstof, die dient als grondstof voor de energieproductie, voor het verbrandingsproces bewerkt worden. Namelijk moet de fossiele brandstof eerst omgezet worden in syngas. Syngas of SNG is een gasmengsel dat koolstofmonoxide (CO) en waterstofgas (H2) bevat. Men kan syngas verkrijgen door een fossiele brandstof te verbranden in een zuurstofarme omgeving en stoom te gaan toevoegen tijdens dit proces. Simpel uitgelegd is het doordat bij de verbranding van de fossiele brandstof er een tekort is aan zuurstof zullen er zuurstofatomen 'ontrokken' worden van de watermoleculen. Het zuurstofatoom gaat reageren met de koolwaterstoffen van de fossiele brandstof en zo wordt er koolstofmonoxide (CO) gevormd. Van de watermoleculen zijn de zuurstofatomen verdwenen waardoor er enkel nog waterstofatomen overblijven, en twee zo'n atomen samen vormen waterstofgas. Eenmaal het syngas gevormd is, dan kan men het koolstofmonoxide gaan afscheiden onder de vorm van CO2. En zo verkrijgt men een gas dat nagenoeg enkel maar waterstofgas bevat. Dit waterstofgas kan dan gebruikt worden voor energieproductie. En wanneer men het waterstofgas verbrandt (oxideert), dan wordt er enkel maar water gevormd en geen CO2. Dus kunnen de restgassen vrij in de atmosfeer uitgestoten worden zonder kwalijke gevolgen.
Wanneer men het CO2 wil afvangen na de verbranding dan gaat het proces op een compleet verschillende manier in zijn werk. Dan moet de fossiele brandstof geen voorbehandeling ondergaan. De fossiele brandstoffen worden dan verbrand net zoals dit gedaan wordt zonder CCS. Maar nu worden de rookgassen die ontstaan tijdens de verbranding niet zomaar uitgestoten in de atmosfeer. Deze gassen worden na de verbranding eerst gewassen in een gaswasser. In een gaswasser wordt er gebruik gemaakt van absorptie om de rookgassen te ontdoen van CO2. Dit wordt gedaan met speciaal ontwikkelde absorbenten die het CO2 op nemen en daarna weer kunnen afgeven op een andere locatie en in andere omstandigheden. Dit laat dus toe om deze absorbenten te hergebruiken.
Tot nu toe heeft deze technologie zijn grote doorbraak nog niet gekend. En dit is hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat het relatief veel kost. Uiteraard is de meerkost voor de opvang en opslag van de geproduceerde CO2 afhankelijk van welke fossiele brandstof er gebruikt wordt bij de energieproductie. En daarnaast is de kostprijs ook afhankelijk van welke technologie er gebruikt wordt bij de energieproductie. Indien men CCS zou doorvoeren bij de bestaande elektriciteitscentrale waarbij er gebruik gemaakt wordt van fossiele brandstoffen dan zou de kostprijs van de geproduceerde elektriciteit enorm gaan stijgen. Naar schatting zou de kostprijs per kilowattuur van de elektriciteit van een steenkoolcentrale tussen de 60% en 230% gaan toenemen, en voor een aardgascentrale tussen de 40% en 70% wanneer men de geproduceerde CO2 wil afvangen en opslaan. Deze toename van de kostprijs is echt aanzienlijk ligt hoogstwaarschijnlijk aan de oorzaak van het uitblijven van een echte doorbraak van deze technologie. Daarnaast is er in het algemeen ook een publieke afschuw voor de opslag van CO2 nabij bewoonde gebieden.
Maar nu blijkt er toch een manier te zijn om de opvang en opslag van CO2 te realiseren tegen een aanvaardbare kostprijs. Namelijk is men er in China blijkbaar in geslaagd om dit te realiseren. De Shidongkou No. 2 is een elektriciteitscentrale nabij Sjanghai die gebruikt maakt van steenkool voor de productie van elektriciteit. Deze centrale heeft een capaciteit van ongeveer 1320 megawatt. En momenteel is heeft men er ook een installatie bijgebouwd waarmee het geproduceerde CO2 afgevangen kan worden. Het systeem zou jaarlijks 120.000 ton CO2 uit slechts 3% uitlaatgassen van de centrale kunnen halen. Deze hoeveelheid is inderdaad relatief gezien niet zo veel, namelijk bedraagt dit 0,000545% van de totale jaarlijks CO2 uitstoot door de mens. Maar wat wel erg opmerkelijk is aan deze installatie is de prijs waartegen dat de CO2 uit de rookgassen gehaald kan worden. Per ton CO2 zou het 'slechts' $30 Ã $35 kosten. Dit is een heel stuk lager dan wat men voordien steeds had verwacht, namelijk dat het voor een steenkoolcentrale ongeveer tussen de $66 Ã $135 per ton CO2 zou kosten. En daarom kreeg de installatie bij de Shidongkou No. 2 elektriciteitscentrale heel veel aandacht.
Bij eerdere projecten lag de kostprijs steeds veel hoger dan bij Shidongkou No.2. En daarom kijkt iedereen vol bewondering naar de technologie die men daar gebruikt. Deze technologie zal wellicht 'het' hulpmiddel worden voor steenkoolcentrales om te zorgen dat hun impact op de klimaatverandering sterk verminderd. Indien men van plan is om deze technologie te gaan exporteren naar andere steenkoolcentrales dan lijkt het erop dat CCS veel eerder zijn grote doorbraak zal maken dan dat men origineel had verwacht. Veel experts zijn enorm geïnteresseerd om erachter te komen hoe de Chinezen dit voor elkaar gekregen hebben.
Deze CCS installatie volgt het principe van het afvangen van het CO2 na de verbranding van de fossiele brandstoffen. De rookgassen die ontstaan tijdens de verbranding, die rijk zijn aan CO2, worden eerst door een vat, met daarin een amine gebaseerd solvent geleid. Dit solvent reageert met de rookgassen en neemt zo het CO2 in de rookgassen op. Het solvent wordt daarna, eenmaal het een bepaalde hoeveelheid CO2 heeft opgenomen, afgevoerd naar een ander vat. Daar wordt het opgewarmd en hierdoor wordt het opgenomen CO2 weer afgegeven en zo kan men het solvent opnieuw gaan gebruiken om terug CO2 te afvangen uit de rookgassen van de centrale. De CO2 die eerst opgenomen en daarna weer is afgegeven door het solvent kan dan gebruikt worden voor bepaalde toepassingen of opgeslagen worden. Normaal gezien nam dit proces zo'n 25% van de geproduceerde energie van een steenkoolcentrale op. Dit is een opmerkelijk aandeel waardoor maar weinig centrales maar weinig interesse hadden voor de technologie. Maar bij de installatie van Shidongku No.2 wordt er niet zo'n groot aandeel van de geproduceerde energie gebruikt voor het afvangen van de CO2. De kostprijs voor het zuiveren van de afgevangen CO2 ligt zo'n 5 maal lager bij de Chinese elektriciteitscentrale, namelijk bedraagt deze zo'n $20 per ton.
Smart Grid ofwel intelligent elektriciteitsnetwerk is zowat de naam voor wat de update van het huidige elektriciteitsnet zou moeten worden. Het huidige elektriciteitsnet laat enkel toe om elektrische energie uit te sturen vanuit een centraal punt, namelijk vanuit een grote elektriciteitscentrale. Vanuit dit centraal punt vertrekt er dus een netwerk van elektrische kabels naar de vele aangesloten gebruikers. Ons huidige elektriciteitsnet dat in het algemeen wisselspanning vervoert, is het resultaat van een graduele evolutie.
Veel van de implementatie-beslissingen omtrent het ontwerp van een elektriciteitsnet, die in de tijd van Tesla genomen werden, zijn tot op de dag van vandaag nog steeds onveranderd gebleven. Maar veel van die beslissingen en keuzes van toen zijn genomen op basis van de beschikbare technologie op dat moment. In de 120 jaar tussen toen en nu zijn er heel wat nieuwe technologieën bijgekomen en veel van de bestaande technologieën zijn nu al veel verder ontwikkeld. Deze specifieke aannames en eigenschappen omtrent de verschillende technologieën die gebruikt worden bij het elektriciteitsnet van toen zijn, ondanks dat ze al sterk verouderd zijn, momenteel vaak nog in gebruik. Dit komt deels doordat beheerders van elektriciteitsnetten niet staan te springen om nieuwe technologieën in te voeren. Zeker niet wanneer ze nog nooit op commerciële schaal getest werden. Dit omdat een elektriciteitsnet kritische infrastructuur is die zich slechts een heel beperkt aantal of eigenlijk nagenoeg geen fouten kan veroorloven. En daarom is voor hen het in gebruik nemen van een 'ongeteste' nieuwe technologie erg riskant aangezien de gigantische gevolgen wanneer deze zou falen.
In de afgelopen 50 jaar zijn daardoor de elektriciteitsnetten niet mee-geëvolueerd met andere technologieën op het vlak van het bewaken van de veiligheid zowel tegenover de afnemers op het net als van aanvallen van buitenaf. Een ander punt waarop ze niet mee geëvolueerd zijn is om zich aan te passen voor het behalen van de doelstellingen van vele landen om meer alternatieve energiebronnen, die een niet-constante elektriciteitsproductie afleveren, toe te voegen aan het net . Veelal is het elektriciteitsnet niet voldoende robuust om met sterke variaties in elektriciteitsproductie om te gaan.
Het huidige elektriciteitsnet kan wel een bepaalde hoeveelheid van dergelijke energiebronnen met een variabele energieprodcutie meester, maar dit zou naar schatting beperkt zijn tot zo'n 30%. En dit is een ernstige beperking voor de intrede van de hernieuwbare energiebronnen, aangezien een heleboel van de hernieuwbare energiebronnen juist een variabele energieproductie hebben. En ander punt waar er aan gewerkt kan worden, is om de grote pieken tijdens de piekmomenten in een dag in het elektriciteitsverbruik te beperken. Daarnaast is te maximaal hoeveelheid energie die ononderbroken kan vervoerd worden door de bestaande elektriciteitsnetten vrij beperkt. Toen men 120 jaar geleden het concept voor het elektriciteitsnet uitwerkte, heeft men dit gedaan voor een analoge economie. Maar nu zoveel jaar later hebben digitale technologieën hun doorbraak gemaakt en dus is het huidig elektriciteitsnet daar nu niet compatibel voor. Dit komt grotendeels doordat het elektriciteitsnet niet is mee geëvolueerd met de andere technologieën. Er bestaan momenteel al tal van digitaal aangestuurde apparaten waarbij het mogelijk is om toe te laten dat elektriciteitsmaatschappijen deze toestellen in- of uitschakelen, wanneer zij dit nodig vinden. Dit uiteraard zonder dat de gebruiker daarbij een ongemak zal ondervinden. Maar doordat het elektriciteitsnet nog steeds gelijkaardig is aan het ontwerp van 120 jaar geleden, is het niet in staat om deze technologieën te ondersteunen.
Maar sinds recent zijn vele industrieën in actie geschoten wat betreft de ontwikkeling en de verder uitwerking van het concept van de Smart Grid. In het algemeen zou het de bedoelingen zijn om het huidige elektriciteitsnet te gaan updaten zodat het zijn opgelopen achterstand op het vlak van technologie, kan inhalen. Dit is geen moment te laat aangezien er ook nog een volgende uitdaging zit aan te komen voor het elektriciteitsnet, namelijk de elektrificatie van een deel van het mobiliteitssysteem ofwel anders gezegd de opkomst van de volledige of deels elektrisch aangedreven wagens. Een nieuwe doorbraak bij de ontwikkeling van technologieën voor de smart grid zou kunnen toelaten dat de smart grid nog intelligenter zal worden dan dat er in eerste instantie gedacht werd. Namelijk door het gebruik van een nieuw soort 'op-halfgeleiders-gebaseerde' toestellen. Deze zouden kunnen toelaten dat elektrische wagens nog sneller opgeladen worden, en dat het elektriciteitsnet kan omgaan met een hoog percentage aan energiebronnen met een variabele energieproductie. Dergelijke toestellen worden al door tal van instellingen ontwikkeld, waaronder bijvoorbeeld het Advanced Research Projects Agency for Energy en de National Science Foundation.
Deze nieuwe transformatoren zijn zo flexibel dat de onderzoekers nog steeds bezig zijn met het ontdekken wat er allemaal mee mogelijk is. En dus zijn ze nog niet zeker hoe men deze het best kan gaan gebruiken aangezien er zoveel verschillende mogelijkheden mee zijn. Een van de vele mogelijke toepassingen, die wel bijzonder interessant is, is voor het opladen van elektrische of hybride wagens. Dit vraagt nog steeds een bepaalde tijd vooraleer de batterij volledig opgeladen is.
Er bestaan wel andere apparaten en componenten die veel van deze opgenoemde taken kunnen uitvoeren maar een belangrijk criterium is uiteraard steeds de betrouwbaarheid van de toestellen. En deze nieuwe transformators zouden ervoor kunnen zorgen dat al dit veel eenvoudiger kan uitgevoerd worden in vergelijking met wanneer men de andere geschikte apparaten en componenten zou gebruiken. En dus is het waarschijnlijker dat men deze nieuwe transformatoren zal verkiezen voor deze taken. Een ander voordeel van het gebruik van deze nieuwe transformatoren is dat deze gebruikt kunnen worden om elektriciteit te gaan besparen. Namelijk door steeds een spanningen met een minimum vereist voltage te gaan leveren naargelang welke toestellen er ingeschakeld zijn. Zo kan er energie bespaard worden wanneer men het voltage verlaagt wanneer er enkel toestellen ingeschakeld zijn die op een lagere spanningen kunnen werken.
Deze solid-state transformators bevinden zich nog steeds in de ontwikkelingsfase en zullen waarschijnlijk binnen enkele jaren klaar zijn voor commerciële toepassingen. Momenteel zijn de onderzoekers nog steeds bezig met het verbeteren van het rendement en de kostprijs van deze transfo's. En deze zullen dan hoogstwaarschijnlijk een grote bijdrage leveren bij de verdere ontwikkeling en uitwerking van de smart grid.
Opmerking: Indien iemand meer weet over hoe deze 'solid-state transformers' werken, in elkaar zitten of wat de correcte Nederlandse benaming is, bent u dan a.u.b. zo vriendelijk om dit eens door te spelen. Hierover was niet veel informatie te vinden en dus bleef dit een raadsel voor mij. Bedankt
Een halve eeuw geleden bedroeg de wereldpopulatie slechts zo'n 3 miljard mensen. Toen waren er twee soorten landen in de wereld, namelijk de ontwikkelingslanden of derde wereld landen en de ontwikkelde landen of Westerse landen (deze laatste term is eigenlijk niet zo accuraat). In een ontwikkeld land is er een hoge graad van industrialisatie en hoge levensstandaarden die volgen uit de rijkdom en technologie die beschikbaar is in die landen. In een ontwikkelingsland daarentegen is er een zeer grote armoede in verhouding tot de Westerse landen. Deze armoede gaat meestal gepaard met technologische, economische en medische achterstand.
Een ontwikkelingsland is dan meestal een land dat nog geen aanzienlijk niveau van industrialisatie bereik heeft, geen of een slechte ontwikkelde dienstensector, een grote landbouwsector, dat een lage levensstandaard en bruto nationaal product heeft. Andere kenmerken voor een derde wereld land zijn o.a. een hoge staatsschuld, een hoog sterftecijfer, ondervoeding, slechte hygiëne, laag energieverbruik, wijdverspreide armoede, grote bevolkingsgroei, snelle urbanisatie, onderbenutting van het werkkapitaal, politieke instabiliteit, veel corruptie, milieudegradatie en zo kan deze lijst nog veel langer worden. Maar ten opzichte van de toestand een halve eeuw geleden, in 1960, is er al heel wat verandert. En het is dus niet meer correct om nu nog te denken dat er nog steeds maar twee soorten landen zijn, de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden. En doordat de wereld zo sterk veranderd is sinds 50 jaar geleden, moet het idee van 'ontwikkelde en onontwikkelde landen' eigenlijk geüpdatet worden naar die voor de huidige situatie.
In 1960 leefden er zo'n 1 miljard mensen in de ontwikkelde landen en de populatie in de derde wereld landen was toen 2 miljard. In het algemeen was er een grote kloof tussen deze twee werelden. Maar nu in 2010, zijn er 4 miljard mensen bijgekomen op de aarde aangezien de wereldpopulatie nu bijna 7 miljard mensen bedraagt. Volgens de Verenigde Naties zal dit jaar de 7 miljardste wereldburger geboren worden. Samen met deze bevolkingstoename is er ook heel wat verschoven in de verhoudingen tussen de soorten landen in de wereld. Zo hebben de ontwikkelde landen zich verder ontwikkeld.
Maar de meest succesvolle ontwikkelingslanden van in 1960 hebben ook een verandering ondergaan, namelijk zijn zij de Newly Industrialized Countries ofwel NIC's of ook de nieuwe industrielanden genoemd. En dus kunnen we momenteel niet enkel meer spreken over de ontwikkelde landen en de onontwikkelde landen, maar moeten we daar nu een derde categorie aan toevoegen, die van de nieuwe industrielanden. Momenteel leven er nog steeds ongeveer 1 miljard mensen in de ontwikkelde landen. In de onontwikkelde landen leven er ook nog steeds zo'n 2 miljard mensen. En de nieuwe industrielanden kent nu de grootste populatie, namelijk zo'n 4 miljard mensen. Het is alsof de 4 miljard mensen, die er in de afgelopen 50 jaar zijn bijgekomen op de wereld, zich midden de kloof tussen de ontwikkelde en de ontwikkelde landen hebben genesteld. Maar de kloof tussen de rijksten en de armsten op deze wereld is momenteel wel groter dan ooit tevoren, want de ongelijkheid tussen deze twee groepen mensen is steeds blijven groeien. Er is wel een algemene trend dat steeds meer landen zich verder ontwikkelen en zo komen er steeds meer mensen in de buurt van de ontwikkelde landen. Bijvoorbeeld heeft Japan al de ontwikkelde landen 'ingehaald' en het ziet er sterk naar uit dat China dat binnenkort ook zal doen.
Maar er is ook nog een andere opmerkelijke trend waargenomen. Het algemeen idee over de ontwikkeling in de ontwikkelingslanden was dat deze landen niet hoeven te investeren in nieuwe onderzoek en ontwikkeling. Althans niet voordat ze de levensstandaard en de graad van ontwikkeling hebben kunnen opkrikken tot ongeveer het niveau van de huidig ontwikkelde landen. Maar deze stelling werd ontkracht door een recent gepubliceerd rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerling en Ontwikkeling of kortweg de OESO. Het OESO is een samenwerkingsverband van 34 landen om sociaal en economisch beleid te bespreken, bestuderen en coördineren. De aangesloten landen proberen gezamenlijke problemen op te lossen en trachten een internationaal beleid af te stemmen. Al de landen aangesloten bij het OESO zijn allemaal ontwikkelde landen. En deze ontwikkelde landen zullen, samen met andere ontwikkelde landen, in de nabije toekomst blijven een leidende positie innemen op het vlak van onderzoek en ontwikkeling. Maar wat er wel zal veranderen, is dat andere landen een opmars zullen maken in dit gebied. Namelijk toont het rapport aan dat de nieuwe industrielanden een rol zullen gaan spelen in onderzoek en ontwikkeling op wereldniveau. Het OESO houdt namelijk een 'Global Science, Technology and Industry Map' bij. En door de opkomst van de nieuwe industrielanden zal deze 'mondiale wetenschap, technologie en industrie' kaart hertekend worden. Het OESO, die deze kaart bijhoudt, vernieuwd deze om de twee jaar. En op de nieuwe kaart opgesteld in 2010 is deze opkomst van de nieuwe industrielanden al merkbaar. Het gaat dan vooral om de landen zoals China, Zuid-Afrika Indonesië en Vietnam, daar werden brede innovatie strategieën op gesteld, die zowel nieuwe als bestaande technologieën omvat, maar onder andere ook tal van sociale innovaties.
Er is ook een verschil in aanpak in deze opkomende economieën in vergelijking met die van in de Westerse landen, namelijk dat in de nieuwe industrielanden er veel 'globaler' gedacht wordt dan in de Westerse landen. Namelijk, in 2007 - het laatste jaar dat er data beschikbaar was over geografische verdeling van nieuwe patenten - was er al iets merkwaardig te zien. Toen, in dat jaar, was in de BRIICS landen - dat zijn de landen Brazilië, Rusland, Indië, Indonesië, China en Zuid-Afrika - waren 1,07% van patenten voor technologieën voor hernieuwbare energie-systemen. En merkwaardig genoeg is dit hoger dan het wereldwijde gemiddelde namelijk 0,89%. In Europa is dit percentage het allerhoogst in de wereld, namelijk daar hebben 1,19% van de patenten te maken met technologieën voor hernieuwbare energie. Maar wat wel opmerkelijk is dat de BRIICS landen in dit lijstje boven de Verenigde Staten staan. Dit omdat in de Verenigde Staten slechts 0,67% van de patenten over hernieuwbare energie. En Japan staan staat heel erg laag in de lijstje namelijk hebben daar 0,47% van de patenten te maken met hernieuwbare energie.
Deze data toont, samen met vele andere cijfers, aan dat in de nieuwe industrielanden een meer globale en pragmatische aanpak wordt aangehouden bij onderzoek en ontwikkeling in vergelijking met de cijfers van vroeger. Vroeger vond er enkel een uitwisseling van technologieën plaats tussen de ontwikkelingslanden en de Westerse landen maar momenteel zijn de nieuwe industrielanden ook bezig met andere minder ontwikkelde landen aan het helpen op vlak van onderzoek en ontwikkeling. Zo wordt er bijvoorbeeld heel veel hulp verleend door Aziatische landen aan de minst ontwikkelde landen in Afrika. De nieuwe industrielanden beginnen ook samen te werken bij onderzoeken en ontwikkeling van nieuwe technologieën. En door deze samenwerkingsverbanden tussen ontwikkelings- en nieuwe industrielanden wordt er het vermogen gecreëerd voor deze landen om te gaan innoveren, ook al hebben ze nog niet de graad van ontwikkeling bereikt zoals die van in de ontwikkelde landen. Het gecreëerde vermogen om te innoveren wordt in deze landen wijselijk gebruikt om 's werelds grootste problemen aan te pakken, zoals die zijn de energieproblematiek en -armoede, de klimaatverandering en de armoede.
En tot onlangs zorgden de wolken voor een grote onzekerheid bij de voorspellingen gedaan met behulp van de computermodellen van het klimaat. Want het is moeilijk te bepalen welk type wolken er het meest gaan voorkomen en dus welk effect er het meest dominant zal zijn. Er worden meerdere computermodellen gebruikt om de verandering van het klimaat in de toekomst te gaan simuleren op basis van bepaalde ingegeven data. De verschillende modellen gingen veelal op een verschillende manier om met de invloed van de wolken. En dit zorgde dan uiteraard dat deze modellen een verschillende uitkomst weergaven ook al werden dezelfde gegevens ingegeven. Er waren bepaalde computermodellen die zelfs de invloed van de wolken negeerden. Dit omdat met het ene type wolken de temperatuur toeneemt en met het andere type de temperatuur afneemt. En dus wanneer men verondersteld dat beide type even vaak voorkomen dat is hun invloed inderdaad neutraal en mag de invloed van de wolken genegeerd worden. Maar er bestaat wel geen zekerheid over de veronderstelling dat beide type wolken even vaak zullen voorkomen en dat dit steeds zo zal blijven ook wanneer het klimaat veranderd. Maar ook zijn er computermodellen die ervan uitgaan dat wolken zorgen voor opwarming van de aarde. En dus wanneer de concentratie aan waterdamp toeneemt in de atmosfeer, dan zal dit ertoe leiden dat de temperatuur op aarde zal stijgen.
Andrew Dessler, een professor van Texas A&M University aan het departement van atmosfeer wetenschappen, heeft de invloed van de wolken uitvoerig onderzocht om een antwoord te vinden op de vraag wat nu juist het gevolg zou zijn wanneer de concentratie aan waterdamp stijgt in onze atmosfeer. En zo kan men in de toekomst ook een groot element van de kritiek op de voorspellingen over de verandering van het klimaat gaan vermijden. Namelijk is er een heleboel kritiek op de resultaten van de computermodellen die men gebruikt om het klimaat te gaan simuleren. Een groot punt van kritiek is de invloed van de concentratie waterdamp in de atmosfeer, vele critici verwijten dat de computermodellen een verkeerd resultaat tonen omdat ze deze invloed verkeerd in rekening brengen. Zijn conclusie in het gepubliceerde werk over dit onderwerp was dat wanneer de temperatuur stijgt op aarde dat dit zal zorgen voor een stijging van de concentratie aan waterdamp in de atmosfeer, doordat er meer water zal verdampen. En deze grotere concentratie aan waterdamp zal ervoor zorgen dat de temperatuur op aarde verder zal toenemen.
De studie die Andrew Dessler heeft uitgevoerd maakt gebruik van de data die verzameld geweest is door NASA's Terra satelliet. Deze satelliet is uitgerust met een instrument genaamd CERES, wat staat voor Clouds and Earth's Radiant Energy System. Met CERES dient om stralingen te gaan opmeten in de atmosfeer en men is hiermee in staat om straling de infrarode straling van de zon, die terug het heelal in gereflecteerd wordt te onderscheiden van de infrarode straling die uitgestraald wordt door de aarde. En dit kan men gaan doen op verschillende hoogte in de atmosfeer, van boven tot onder. Deze satelliet werd in maart 2000 de ruimte ingestuurd en dus heeft men er al 10 jaar lang data meer verzameld.
Doordat 10 jaar een relatief korte tijd is om voldoende data in te zamelen, is het resultaat dus nog niet echt 100% betrouwbaar. Er is nood aan data van over een langere periode om deze zaak verder te gaan uitpluizen, zeker wanneer men deze data wil gebruiken om voorspellingen te gaan doen op lange termijn. En dit is juist wat men wil doen bij de klimaatmodellen. Om een idee te krijgen over wat er zal gebeuren met de wolken wanneer het een lange tijd warmer is op aarde, moet er gewacht worden tot het een relatief lange tijd warmer is op aarde. Pas dan kan men met zeker gaan zeggen wat het effect is en kan ervan uitgegaan worden dat het ervaren verschijnsel zich opnieuw zal voordoen wanneer het een volgende keer warmer is of verder warmer wordt op aarde. Maar tot dat dit zich voordoet, kan men enkel voorgaan op de waargenomen verschijnselen tijdens de relatief korte periodes dat het warmer was op aarde. En uit deze korte periodes kan men ergens al een idee krijgen wat men kan verwachten indien het een lange periode warmer is.
Maar in het algemeen kan men er wel over eens zijn dat de analyse die Andrew Dessler heeft uitgevoerd, toch wel een handig diagnostisch hulpmiddel is. Het kan gebruikt worden om de bestaande klimaatmodellen te gaan 'ijken'. Met ijken wordt bedoeld dat men kijkt in hoever de voorspellingen overeenkomen met de waarnemingen. Namelijk, bij de klimaatmodellen heeft men nu ergens een richtlijn over hoe men de invloed van de wolken of dus de concentratie waterdamp moet in rekening brengen. En men kan dit gaan controleren de voorbije 10 jaar te gaan simuleren en te kijken of de resultaten overeenkomen met de waarnemingen die men heeft opgenomen met de Terra satelliet. Zo kan men, in het mate van het mogelijke, zeker zijn dat het beschouwde klimaatmodel een betrouwbaar resultaat geeft.
Zoals als algemeen gekend stond de stoommachine aan het begin van de industriële revolutie. Het eerste land die met deze trend werd geconfronteerd was uiteraard Groot-Brittannië en door de intrede van de stoommachine was de mens niet langer meer afhankelijk van menskracht, paardenkracht, watermolens en windmolens. De stoommachine, in eerste plaats in 1711 uitgevonden door Thomas Newcomen en later in 1769 sterk geoptimaliseerd door de welbekende James Watt. In deze tijd ken men ook een grote bevolkingstoename die ervoor zorgde dan tussen 1750 en 1850 het bevolkingsaantal in Europa verdubbelde.
Het smelten van de gletsjers lijkt op het eerste zicht niet echt zo'n dreiging dan dat die eigenlijk is. Het is niet dat er zich dan gewoon een beetje minder ijs op het land bevindt. Eerst en vooral, wanneer gletsjers smelten dan moet al de smeltwater ergens naar toe. En uiteraard, al het water zal vroeg of laat zijn weg vinden tot aan de zeeën en de oceanen. Al dit extra water, zal er uiteindelijk dan toeleiden dat de zeespiegel zal gaan stijgen. En wanneer de zeespiegel stijgt dan heeft dit dramatische gevolgen voor al wie in laaggelegen gebieden wonen dicht bij een kustlijn of dergelijke. Maar het zal waarschijnlijk niet zolang duren vooraleer men problemen zal ondervinden door het versneld afsmelten van de gletsjers. Namelijk omdat de mens op vele locaties in de wereld afhankelijk is, of toch in zeer grote mate vertrouwd op het smeltwater voor allerhande toepassingen. Dus wanneer deze gletsjers versneld gaan afsmelten dan gaat na een bepaalde tijd, wanneer al een groot deel van de gletsjer is afgesmolten, de hoeveelheid smeltwater gaan verkleinen. En op dat moment zullen deze mensen leiden aan een tekort aan water voor hun activiteiten. En aangezien 87% van het zoetwater op aarde vast zit in de gletsjers gaat het hier om een belangrijke hoeveelheid drinkbaar water.
Maar naast watervoorziening vervult het smeltwater van de gletsjers ook nog een andere taak waar de mens veel gebruik van maakt. Namelijk een gletsjer verplaatst zich ook traag bergafwaarts en hierbij schuurt deze massa bevroren water over het gesteente. Daarbij wordt een deel van het gesteente verbrijzeld tot kleinere deeltjes. Deze kleinere deeltjes worden dan meegevoerd door het smeltwater naar lager gelegen gebieden. Maar deze kleine deeltjes verbrijzeld gesteente bevatten onder andere ook bepaalde mineralen. En deze mineralen komen goed van pas bij groeiende planten en aangezien veel water gebruikt wordt voor de irrigatie van akkers, komen deze meegevoerde mineralen veelal goed van pas. Maar wanneer gletsjers zijn gesmolten dan verdwijnt ook deze toevoer van mineralen naar akkers en dergelijke. Dit zorgt dat gewassen minder goed zullen groeien indien men ze niet op een andere manier gaat voorzien van de nodige mineralen daarvoor.
Het afsmelten van de gletsjers heeft ook een invloed op de interactie tussen de aarde en de zon, of eerder met de zonnestralen. Namelijk door het afsmelten van de gletsjers verandert het albedo van de aarde. Het albedo van een object, is een begrip uit de warmteleer, en is een maat voor het weerkaatsingsvermogen van dat object. Het wordt gedefinieerd als de verhouding tussen de hoeveelheid opvallende en gereflecteerde elektromagnetische straling. Het verschil is opmerkelijk groot, namelijk het albedo of dus het weerkaatsingsvermogen van verse sneeuw of ijs is 80% Ã 95%, van oude smeltende sneeuw is deze verschillende, namelijk 40% Ã 70%. En die van grondaarde is 5% Ã 30%, wat een heel stuk kleiner is dan die van een gletsjers.
Voor de mensen die er leven zullen er de komende decennia een heleboel zaken gaan vervangen als het gaat over het smeltwater van de gletsjer. In het algemeen zal het er het probleem zijn dat ze op het ene moment teveel en op het andere moment te weinig water hebben. En water is overal het kader van alles zoals landbouw, leefbaarheid, industrie, en nog heel veel andere zaken. Wanneer 'plots' - of dus op een relatief korte tijd - iets verandert in de waterkringloop van een regio of gebied en men heeft niet voldoende tijd om zich aan te passen aan de veranderingen, dan komen vele van de mensen in de problemen te zitten. En bij de gletsjers van het Himalaya gebergte gaat het hier over heel veel mensen. Namelijk zorgen deze gletsjers voor de watervoorziening van nagenoeg alle bewoners in Zuidoost Azië. Er leven zo'n 210 miljoen mensen in de directe omgeving van deze gletsjers en dan nog eens 1,3 miljard mensen leven verderop stroomafwaarts. Deze 1,3 miljard mensen zijn ook afhankelijk van de stroom van smeltwater van de gletsjers die zijn baan zoek naar de oceaan. Het is in hun belang dat er zorg gedragen moet worden voor deze gletsjers en dus voor de temperatuur op aarde.
Tot vorig jaar was men ervan overtuigd dat het nog tot 2350 zou duren vooraleer het ijs van deze gletsjers zou gesmolten zijn. Maar vorig jaar kwam er het schokkend nieuws dat dit niet in 2350 maar in 2035 het geval zou zijn. Wat heel erg binnenkort is en dus heeft deze bevolking onvoldoende tijd om zich te gaan aanpassen aan een dergelijke drastische verandering. En daarom zijn verschillende onderzoekers aan het werk gegaan om een idee te krijgen toe hoever het verdwijnen van deze gletsjers effect zou gaan hebben. En om hiervan een idee te krijgen is het noodzakelijk om informatie te hebben over de gletsjers, het smeltwater van deze gletsjers, waar het smeltwater zo overal terecht komt en waarvoor het zo allemaal gebruikt wordt. Met deze informatie kan men een transitie gaan begeleiden om zich aan te passen aan de aankomende veranderingen.
Momenteel is er een tekort aan data om een goed en betrouwbaar beeld te krijgen over het afsmelten van de gletsjers in het Himalaya gebergte. Wetenschappers hebben wel data ter hun beschikking over het smelten van bepaalde specifieke gletsjers maar dit in onvoldoende om een globaal beeld te vormen van de gletsjers in gans het gebergte. Veelal liggen dergelijke gletsjers niet in de onmiddellijke nabijheid van goed bereikbare regio's en gebieden. En dit maakt het installeren van de nodig meetapparatuur er niet echt eenvoudiger op. Bij de data die momenteel beschikbaar is over smeltende gletsjers zijn meestal over gletsjers die zich op een relatief lage hoogte bevinden. Over de toestand van de hoger gelegen gletsjers is heel wat minder bekend. En dus is het noodzakelijk om ook daar informatie over te krijgen. Zodat men een beter beeld krijgt over deze gletsjers.
Nu komt er ongezuiverd rioolwater in deze meren terecht en de vele kanalen zijn een stortplaats geworden voor plastieken zakken, PET flessen, dode dieren en ander afval. De situatie is er zo problematisch dat Srinagar op de vierde plaats staat van de vuilste steden in Indië. Het water uit deze meren worden door de bewoners in de stad Srinagar, waar er meer dan 1 miljoen mensen wonen, voor allerhande toepassing gebruikt. Zowel voor de huishoudens als voor de industrie. Er keert dus een steeds kleinere hoeveelheid water terug naar het meer. En het water die dan uiteindelijk het meer terug bereikt is dan heel sterk vervuild. Doordat er dus een hoeveelheid water achterblijft in de stad, worden de meren steeds kleiner waardoor de bewoners van het meer steeds dichter op elkaar moeten leven. De Indische overheid is er verantwoordelijk voor het zuiveren van het water in de meren en volgens Reuters zou de overheid al $ 200 miljoen hebben besteed aan verscheidene projecten maar de inwoners van het gebied hebben hiervan maar bitter weinig resultaat gezien. Het geld werd niet of slechts in zeer beperkte mate gespendeerd aan het bouwen van de nodige zuiveringsinstallaties en het verwijderen van het wier in het meer. De lokale instanties die verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het water verschuift de verantwoordelijkheid naar de mensen die wonen op de woonboten op het meer. Ze beschuldigen hen ervan het water te vervuilen. Het gaat zelfs zo ver dat er plannen gemaakt worden om de 10.000 mensen die op het meer wonen te hervestigen in een ander gebied.
Vroeger, rond de jaren '50 zei men nog dat er meer waterwegen waren in Srinagar dan dat er echte wegen waren op land. Maar nu kan men stilaan het omgekeerde gaan zeggen doordat de meren er maar steeds verkleinen. En de vele kanalen hebben dan echt ook letterlijk plaats gemaakt voor verharde wegen. De planning van de aanleg van de wegen in het gebied heeft er ook voor gezorgd dat er steeds meer mensen op de meren zijn gaan wonen. Namelijk zijn er grote bruggen en dergelijke gebouwd zodat de wegen er bijna letterlijk door het meer lopen. Op deze manier is wonen op het meer relatief toegankelijk geworden aangezien er veelal verharde wegen dicht in de buurt zijn. En de wegen hebben er dus voor gezorgd dat men zonder al te veel problemen in het midden van het meer kon gaan wonen. En zo is er ook een drijvende economie ontstaan op het meer. Maar door de vervuiling en de kleiner wordende meren dreigt deze economie in een korte tijd te gaan instorten en komen de mensen die ervan leefde in de problemen te zitten.
Getijdenenergie is energie die wordt gewonnen door gebruik te maken van het verschil waterhoogte tussen eb en vloed. Eigenlijk wordt getijdenenergie al gebruikt sinds de middeleeuwen aan de hand van watermolen die aangedreven werden door het opkomen of terugtrekkende zeewater tijdens het omwisselen van eb naar vloed of omgekeerd. Maar uiteraard waren er veel meer watermolens die aangedreven worden door het water uit een rivier dan dat er ooit geweest zijn die hiervoor het zeewater gebruikten. Maar het idee dat het mogelijk is om energie uit de getijden op zee te gaan halen is ons al een hele tijd gekend. Toen in de middeleeuwen gebruikte men mechanische overbrengen om de kinetische energie van het stromende water te gaan opvangen en over te gaan brengen naar een andere toepassing. Daar kon men dan deze kinetische energie gaan gebruiken voor een nuttige toepassing. Maar op de dag van vandaag is men niet meer zo geïnteresseerd in de kinetische energie die men kan opvangen uit stromend water. Maar de kinetische energie wil men nu gaan opvangen om deze om te zetten in elektrische energie. De waterwielen van toen kunnen ons dus nu niet meer van dienst zijn. Voor deze toepassing gebruikt men momenteel propeller-achtige turbines die kunnen werken bij een lage stijghoogte. Dergelijke turbines zijn sterk gelijkaardig aan diegene die momenteel ook gebruik worden bij waterkrachtcentrales waarbij er maar een relatief klein hoogteverschil is tussen de wateroppervlaktes langs beide kanten.
Bij een getijdencentrale is het dus in de meeste gevallen dan zo dat er twee turbines, of een omkeerbare turbine wordt gebruikt. Dit zorgt ervoor dat er zowel energie kan opgewekt kan worden tijdens het vullen en het leeglopen van het bassin. Er wordt nooit gebruik gemaakt van het ogenblikkelijke vullen van het bassin want bij deze manier van vullen is het onpraktisch om er elektriciteit bij te gaan opwekken. In tegenstelling daarvan wordt het bassin gevuld tijdens de periode dat het oppervlak van de zeespiegel zich op zijn maximum of zijn minimum bevindt. Op deze manier maakt men op een optimale manier gebruik van het hoogteverschil. Een factor die waarschijnlijk getijdencentrales bij velen een stuk interessanter maakt is het feit dat deze voor twee verschillende doeleinden gebruikt kunnen worden, namelijk langs de ene kant uiteraard voor energieopwekking. Maar wanneer men een dergelijke getijdencentrale gaat uitrusten met pompen, kan men die ook gebruiken als een pompcentrale voor energieopslag.
Pompcentrales zijn momenteel de meest en bijna enige techniek die ingezet wordt om energie in grote hoeveelheden te gaan opslaan voor later gebruik. Maar voor men een pompcentrale gaat bouwen, moet men eerst een geschikte locatie ter beschikking hebben waar er twee grote bassins, met daartussen een voldoende groot hoogteverschil kunnen aangelegd worden. Men voelt direct al aan dat dergelijke locaties niet overal voor het rapen liggen. Maar bij een getijdencentrale zijn vele van deze vereisten al aanwezig. Want een getijdencentrale bestaat in het algemeen uit langs de ene kant de zee of oceaan, en met aan de andere kant een afgesloten bassin. Hoe grote dit bassin, hoe meer energie men kan opwekken. Want aangezien hoe groter het volume zeewater die men kan gaan gebruiken, hoe meer energie men kan gaan opwekken. Maar dit volume kent wel een gelimiteerde factor, namelijk het hoogteverschil wordt bepaald door het verschil tussen eb en vloed. Dus om een groot volume te kunnen gebruiken, is het enige wat gedaan kan wordt de oppervlakte van het bassin zo groot mogelijk maken. Bij een getijdencentrale die men ook als pompcentrale gebruikt, zou men dan wanneer er een overschot aan elektriciteit is op het net, deze elektriciteit gaan gebruiken om water van het bassin in de zee of van de zee in het bassin te gaan pompen. Dit zorgt dat het hoogteverschil tussen het bassin en de zee extra vergroot kan worden. Op deze manier kan men de energie gaan opslaan en dan later gaan terugvorderen wanneer er een tekort aan energie is op het net.
Maar in Puget Sound, een zeearm van de Stille Oceaan, in het noordenwesten van de Verenigde Staten is men ook begonnen met plannen te maken van het verschil in de getijden om elektriciteit te gaan opwekken. En de locale elektriciteitsmaatschappij hoopt om binnen drie jaar een installatie opgebouwd te hebben die elektriciteit gaat gaan opwekken en deze op het net gaat gaan zetten. Het is wel nog maar een proefproject en dus is de schaal ervan nog maar beperkt in grootte. Er komen twee turbines met een totale capaciteit van 500 kilowatt. Maar doordat de energieproductie van deze turbines niet constant is zal de gemiddelde productiecapaciteit zo'n 50 kilowatt gaan bedragen. Maar dit project vloeit uit de toenemende interesse in getijdenenergie. In de VS is het potentieel voor de energie-capaciteit relatief groot, rond de 9 gigawatt. Een dergelijke capaciteit is voldoende om ongeveer 5% van de huishoudens in de VS te voorzien van elektriciteit. Hernieuwbare energie kent momenteel een opmars in de VS en het gaat er dan vooral over windenergie en over zonne-energie. Maar getijdenenergie wordt er vaak vergeten en dit is niet alleen in de VS het geval maar ook elders ter wereld. Maar toch krijgt getijdenenergie er nog een kans in de VS. Met dit proefproject is het de bedoeling om deze technologie eens te gaan uitproberen. Eigenlijk is dit ergens een beetje dubbel werk aangezien de centrale in Frankrijk aan de monding van La Rance, in eerste instantie daarvoor gebouwd geweest is meer dan 40 jaar geleden.
Zonnebank verlaagt bloeddruk Er is niet alleen slecht nieuws te melden over zonnebanken. Je verhoogt de kans op huidkanker, maar je verlaagt de kans op een hartaanval. 12 May , 2013 : 09:19:30
Basilicum kletst met chilipeper via trillingen Planten sporen elkaar aan te groeien met boodschappen van licht, geur en aanraking. Maar biologen ontdekten nog een communicatietrucje: ondergrondse trillingen. 10 May , 2013 : 17:45:25
We zijn allemaal familie Die irritante collega, de Europese commissaris voor mededinging, de president van : ze zijn allemaal familie van jou. Je deelt genetisch materiaal. 10 May , 2013 : 17:45:16
Nooit meer grijs haar? Over niet al te lange tijd kunnen we een pilletje of een zalfje krijgen tegen grijs haar. Jammer dat Michael Jackson dit niet meer kan meemaken. 10 May , 2013 : 17:45:09
Woordkeus maakt verschil tussen leven en dood Doktoren kunnen beslissingen of iemand gaat sterven of blijft leven manipuleren door de keuze die ze maken voor bepaalde woorden. 10 May , 2013 : 15:50:15
Popocatepetl baart zorgen Vulkanologen waarschuwen voor een uitbarsting van de vulkaan Popocatepetl, vlak bij de miljoenenstad Mexico Stad. 10 May , 2013 : 13:39:37
Poolzeeën ‘verzuren razendsnel’ Wetenschappers luiden de noodklok: de Noordelijke IJszee wordt steeds zuurder door de koolstofdioxide-uitstoot. Het herstel? Vele tienduizenden jaren. 9 May , 2013 : 12:58:40
‘Sugar daddies’ zijn een mythe Het populaire plaatje van een rijke oude man of vrouw met een jonge, aantrekkelijke partner kan de prullenbak in. Zij met een veel jongere partner hebben juist vaak een laag inkomen. 9 May , 2013 : 12:58:25
Media veroorzaken lichamelijke klachten Een uitzending op televisie of een verhaal op internet kan leiden tot allerlei lichamelijke klachten, zeggen Britse en Duitse onderzoekers. 8 May , 2013 : 10:02:34
Bizar mini-skelet blijkt menselijk Was het een buitenaards wezen? Een verre voorouder van de mens? Nee, een bizar skeletje van 15 centimeter, gevonden in een woestijn, blijkt gewoon menselijk. 8 May , 2013 : 10:02:06
Satellieten vangen met vliegenpapier Een gigantisch zeil moet vanaf dit najaar grote hoeveelheden afval in de ruimte gaan vangen en richting de dampkring sturen voor verbranding. 6 May , 2013 : 13:57:17
Hepatitis B 82 miljoen jaar oud Hepatitis B, een van de meest voorkomende virale infecties over de hele wereld, is meer dan 82 miljoen jaar oud. 6 May , 2013 : 09:21:32
Persoonlijkheid wint het in gevecht Bij een tweegevecht is het niet altijd de grote jongen die wint. Een kleine agressieveling trekt vaak aan het langste eind, blijkt uit onderzoek bij vissen. 3 May , 2013 : 14:15:51
Eiwit nieuwste ‘origamipapier’ Origami-liefhebbers opgelet: na DNA kan er nu ook met eiwitten worden gevouwen. Wetenschappers maakten een eiwit in de vorm van een piramide. 3 May , 2013 : 14:15:43
Drup, zegt ‘s werelds oudste experiment Een experiment dat al sinds 1927 loopt, krijgt ergens de komende dagen voor het eerst zichtbaar resultaat. Voor wie geduld heeft tenminste. 3 May , 2013 : 14:15:34
Het klassensysteem is springlevend De klassenmaatschappij is er ondanks jaren van onderwijs, sociale hulp en economische voorspoed nog. Er zijn alleen meer klassen. 3 May , 2013 : 14:15:26
Na-apende apen horen er bij Ook dieren doen hun best om ‘er bij’ te horen, niets menselijks is ze vreemd. Meerkatten kijken bijvoorbeeld graag naar de eetgewoonten van hun buren. 2 May , 2013 : 09:36:50
We moeten de ruimte opruimen Ruimte-afval vormt een serieuze bedreiging voor satellieten en ruimtevaart. Opruimen die troep dus. Maar hoe? 2 May , 2013 : 09:36:44
Gevaarlijk blauw bloed Kroonprins Willem-Alexander wordt vandaag de nieuwe koning. Historisch gezien is het een wonder dat hij al zo oud is. 30 April , 2013 : 08:15:56
We voelen met robots mee Martelen is martelen. Of je dat nu doet bij een vrouw, een robot of een kartonnen doos. We voelen bij alle drie mee met het slachtoffer. 29 April , 2013 : 14:43:36